Het levenslied

Van de oude volkswijk Alfama in Lissabon is geen plattegrond te krijgen. De talloze steile, smalle steegjes, bochtige straatjes, de trappen en poortjes, hoeken en pleintjes wirwarren dooreen. Dicht opeen gebouwde huizen gaan gekleed in wapperend wasgoed. Het familieleven speelt zich luidruchtig af in de straatjes die door hun beslotenheid de intimiteit van huiskamers hebben. Fadozangers zingen hun levenslied in de kleine lokalen in ruil voor een glas cognac. Alfama is één grote bewegende chaos. Een onbekende verdwaalt;

‘Lissabon met de vele winkeltjes en restaurantjes doet me denken aan vroeger toen ik nog thuis woonde. Familiebedrijfjes, middenstanders, waar de hele familie meewerkt. Ik moet mijn afkomst niet verloochenen en openingen maken naar mijn familie. Wel moet ik mezelf zijn. Hier zit het probleem, wie ben ik? Wat drijft mij? Ik ben geboren als een toerist in Alfama die zich laat leiden door de steegjes zonder te weten waar hij uitkomt, of hij er ooit uitkomt. Maar ik ben ook geboren tussen mensen die niet zonder landkaart vertrekken. Die weten waar ze heen gaan, hoe ze daar moeten komen en hoe lang ze erover doen. Ze laten zich niet afleiden door een geheimzinnige poort die naar het onbekende leidt. Zij gaan recht op een doel af, een doel dat vooraf bepaald is. Het zijn twee verschillende manieren om te leven. De ene is niet beter dan de andere. Mijn moeder vindt van wel. Mijn moeder vindt dat je op je veertigste niet meer van pad kunt veranderen. Dat hebben zij en mijn vader ook niet gedaan en ze zijn gelukkig. Voor mij werkt het niet zo. Ik geloof in de weg, niet in de bestemming. Ik krijg het benauwd bij de gedachte dat er niets meer verandert en ik de rest van mijn leven in deze structuur moet doorbrengen met dat ene doel voor ogen. Welk doel? Oud worden in een bejaardenhuis waar je kleinkinderen je komen opzoeken en genoeg geld over hebben om hen te kunnen verwennen en zelf wat groepsreisjes te maken?’

Het begint al te schemeren. De peinzende man nadert een plein. Een vrouw in avondjurk staat in rap Portugees naar boven te roepen. Een oudere vrouw met polyester bloemetjesschort voor antwoordt, even staccato. Zij staat op een klein balkon op de eerste verdieping. In de flauwe bocht, net aan zijn gezicht onttrokken, staat een deur van een restaurant open. Klagend gitaarspel uit de eetgelegenheid begeleidt zonder het te weten het straatrumoer. Als hij langsloopt, valt zijn blik op een groepje mensen aan tafel. Een staat op en zingt een Fado. Hij gaat naar binnen. Direct wordt er tappenade en wijn gebracht. Hij drijft mee met de muziek, de stemmen op het plein versterven in het levenslied.