Overloop

De zonderling in ons dorp is een kalende oude man met een grijze baard. Zijn naam is Hans. Hij woont in het plaatselijke verzorgingstehuis. Een plek waar hij niet thuishoort, maar hij wordt er gedoogd omdat hij vriendelijk is en niemand anders hem wil hebben. Voorovergebogen over zijn stok loopt hij door de straten. Er is geen vuilnisbak die aan zijn aandacht ontsnapt. Eerst kijkt hij er in. Dan steekt hij zijn rechterhand naar binnen en haalt er iets uit. Iets dat in de zak van zijn versleten zwarte regenjas past. Verder heeft hij voor niets of niemand aandacht.

Wij wonen aan het dorpsplein, waar de bakker, de kaasboer en verschillende cafés het straatbeeld levendig houden. Er staan vijf groene vuilnisbakken verspreid over het plein. Buurtbewoners gebruiken ze als overloop. Gisteren heb ik er nog de restanten van een sixpack en een leeg melkpak ingeworpen omdat mijn grijze container vol is.

Deze ochtend zit ik boven op mijn werkkamer. Ik kan me niet concentreren, dus ik staar wat naar buiten. Vanachter mijn bureau kan ik de straat goed overzien. Het café naast ons wordt verbouwd en werklui lopen af en aan. Snerend boorgeluid overstemt mijn cd speler. Voor de deur op de stoep ligt een berg bouwafval. Ik zie hoe Hans op zijn gebruikelijke langzame manier de hoek om komt. Zijn kale hoofd vooruit gestoken, als voorpost voor zijn gebogen rug. Hij staat even stil en heft het hoofd. Kijkt rond en steekt over zonder op het verkeer te letten. Hij gaat recht op zijn doel af, de vuilnisbak naast de pomp. Hans kromt zijn al gebogen rug nog verder en probeert te zien wat er in de donkere bak zit. Hij schudt zijn hoofd licht. Met zijn rechterhand grijpt hij in het vuilnis. Een van de bouwvakkers uit het café loopt langs hem en groet joviaal. Hans heeft het te druk om iets terug te zeggen. Hij sluit zijn ogen. Zijn hand voelt iets hards en ronds. Hans concentreert zich zichtbaar. Langzaam openen zijn ogen zich weer en de uitdrukking is gelukzalig. Hij kijkt in zijn hand en stopt die dan snel in zijn jaszak. Dit ritueel herhaalt zich bij alle vijf de vuilnisbakken. Iedere dag weer.

Die middag fiets ik naar de supermarkt in de stromende regen. Ik vervloek mezelf dat ik vanochtend niet gegaan ben. Toen was het tenminste droog en gewerkt heb ik uiteindelijk ook niet. De regen spat op mijn gezicht. Ik zie de steen op de weg te laat en ga met fiets en al over de kop. Verdwaasd lig ik op de straat, nat, met bloedende elleboog en mijn hoofd bonkt. Door een waas zie ik een man met zwarte jas en grijze baard over me gebogen staan. Hij kijkt intens en strekt dan zijn rechterhand uit, langzaam met gesloten ogen. De hand grijpt de mijne en stopt er iets hards in. Het doet pijn, ik verlies mijn bewustzijn. Wanneer ik bijkom, staat er een groepje mensen bezorgd om me heen. Een van de omstanders brengt me thuis. Dan pas realiseer ik me dat ik iets in mijn hand klem. Met moeite krijg ik mijn vingers van elkaar. In mijn hand zit de ring van een bierblikje.